In de tussenruimtes van het Jonge Harten Festival vond de ontmoeting plaats

Door: Demi Wester en Heleen van Wiechen

Online 

Ik ben net begonnen met mijn stage op de educatie afdeling van Jonge Harten als ik hoor over een cursus Kunstkritiek die georganiseerd wordt in samenwerking met Theaterkrant.nl | Theatermaker. Grappig, denk ik bij mezelf, een aantal jaar geleden liep ik nog stage op de redactie van Theaterkrant, in de nok van wat toen nog Stadsschouwburg Amsterdam heette.
Als er wordt gevraagd of ik deel wil nemen aan de cursus weet ik eigenlijk dat mijn afstudeer agenda al best vol zit, maar zeg ik toch ja. Ik weet nog dat ik het tijdens mijn stage daar best spannend en oncomfortabel vond om recensies te schrijven. Ik ben benieuwd of er in de cursus wat van de dilemma’s, waar ik toen tegenaan liep, aan het licht zullen komen.

Omdat ik ooit bedacht had dat ik altijd iets nieuws wil blijven leren, meld ik mijzelf tamelijk impulsief aan voor de cursus Kunstkritiek, die ik op enig moment voorbij zie komen, ‘ergens’ op het internet. Ik zit blijkbaar in een goed algoritme wat cursussen betreft, want op ‘Jonge Harten’ had ik nog niet eerder gezocht. – Op ‘Marijn Lems’ trouwens ook niet, maar hem zie ik regelmatig boven kunstkritische stukken staan, geen onbekende naam dus. – Jonge Harten was voor mij wél onbekend.

Ik heb pas door dat mijn nieuwe cursus, Marijn én Jonge Harten bij elkaar horen als ik inlog voor les 1. Met een dinsdagavond live voorstellingen kijken in het vooruitschiet, ontmoet ik elke week mijn medecursisten en zie ze in treinen, op flexplekken, in repetitieruimtes en in werkkamers. We schrijven; en lezen elkaars werk in de drive. Voor het ‘nieuwe ontmoeten’ staat de techniek voor niets.

Foyer Grand Theatre Groningen

Het is dinsdagavond en ik loop het Grand Theatre binnen. Ik ben op zoek naar bekende hoofden. Hoofden die ik tot dan toe alleen nog maar op een beeldscherm had gezien. Achterin de foyer zie ik twee mensen zitten. Ik denk ze te herkennen. Ik waag een gokje. “Hoi, ik ben Demi,” zeg ik.

“Hoi, ik ben Heleen.”

Ik vertel dat ik in Zwolle woon en Docent Theater studeer aan ArtEZ.

Als je op dezelfde hogeschool zat, is dat onmiddellijk bekend terrein, vraag je welke docenten er nu nog werken. Welke stage je doet. En hoe je je vierde jaar hebt ingericht. Binnen vijf minuten is het of je elkaar door en door kent. Er is in 20 jaar ongetwijfeld veel veranderd op de opleiding, maar je deelt toch een begin van een werkveld, een gezamenlijk perspectief.

We vertrekken samen naar de de kroeg ‘De Drie Gezusters’ voor de voorstelling Monologues for Nothing van Celine Daemen, een Virtual Reality-ervaring.

“De regisseur is ziek geworden,” vertelt Sheeyla (zo’n opmerking is al bijna niet opmerkelijk meer), waarna zij haar tijd neemt om ons de uitleg te geven over de bril en de ruimte. Wat we kunnen verwachten als we straks, alleen, in de kamer zijn. ”Neem vooral je tijd,” zegt ze. Een heel andere boodschap dan onze gidsen ons meegeven: er moeten zes ervaringen in het uur plaatsvinden. Het is uitverkocht. Ik kijk op mijn horloge: we moeten maar eens beginnen dan.

Konbu StreetFood: praten over monologues

We hebben kort de tijd tussen de voorstellingen door –

Inmiddels wel trek!

– en we strijken neer bij een restaurant met de naam ‘Konbu Streetfood’. In het hoekje zien we Antsje zitten, met wie we straks ook naar de Prelude gaan.

De keuze van de menukaart zegt iets over iemand, maar een gedeelde ervaring maakt gelijk het gesprek mogelijk.

Ik vond dat zweven door die stad aan het begin van de ervaring indrukwekkend, daarna kwam ik in de wolkenwereld terecht waar de gedachten van anderen te horen waren door je hand in virtuele wolken te steken. Ik probeerde er een aantal af te luisteren. Dat ging de ene keer makkelijker dan de andere, en ik vond dat soms frustrerend. In sommige wolken hoorde ik kwetsbare en persoonlijke gedachtes over je ergens thuis voelen of over in hoeverre mensen hun emoties delen met anderen, maar in een andere wolk hoorde ik alleen het woord ‘avocado’.

Avocado hoorde ik ook steeds, nadat ik de reserve VR-bril had gekregen (de batterij van de eerste was leeg) en weer alleen in de ruimte was. Ik wilde de verloren tijd inhalen, ik dacht aan de bezoekers ná ons, en of ze nog wel binnen het uur pasten. Maar in VR kan je geen tijd inhalen, zo werkt dat niet. Mijn gevoel van haast deed weinig goeds voor de beleving. Waar moest ik naartoe in die wolkenwereld? Waar zat de clue? De gehoopte ervaring werd een takenlijstje. Alle wolkjes, check. (Steeds weer per ongeluk de avocado) Eigen gedachte achterlaten, eh- hoe ook al weer?

Ik wilde zelf ook een gedachte achterlaten, zoals mij dat aan het begin van de ervaring gevraagd was door Sheeyla. Ik strek mijn handen open voor mij uit, om dat eigen wolkje te maken in deze wereld. Ik krijg de vraag op welke plek ik mij het meeste thuis voel. Ik voel gelijk de behoefte om een interessant antwoord te geven, alsof het mijn verantwoordelijkheid is om iets achter te laten in die wolkenwereld dat het beluisteren waard is. Er komt niet gelijk een antwoord op de vraag in me naar boven. Ik bal mijn handen tot vuisten om de opgenomen gedachte te verwijderen in deze wolkenwereld. Ik open mijn handen opnieuw. Hoop op een andere vraag. Maar die krijg ik niet.

Iets met twee handen voor je uit. Ik zie onder de rand van de bril door mijn horloge. Ik zie de tijd. Haast. Er moeten nóg twee mensen in dit uur. Laat hen maar. Ik stap uit.

Op een gegeven moment probeerde ik me door de virtuele ruimte te verplaatsen door echt te gaan lopen, maar dat ging niet heel goed want ik liep al snel tegen een digitaal raster aan dat moest voorkomen dat ik tegen een echte muur aanliep. Toch wel een gek contrast met de oneindige virtuele wolkenruimte waarin ik me bevond.

Terug naar Konbu. De soep is heet (pittig én warm), maar we weten het binnen de korte tijd met smaak tot ons te nemen. Zonder koffie en natafelen hollen we naar de Sneeuw.

Staand met ons drankje in het Grand Theatre: over Prelude in de Sneeuw

De bar is niet open, maar koffie kan wel staand gedronken worden. Toch een soort natafelen, met de voorstelling van Ferre Vuye en Stan Martens (pas afgestudeerd aan KASK Gent) als onderwerp van gesprek. Ik had me niet ingelezen, min of meer bewust –

Ik had wel het een en ander gehoord over de voorstelling, maar heb me er verder niet in verdiept.

– zelfs me nauwelijks een voorstelling gemaakt bij de titel.
Twee jongens, twee katrollen met kettingen van het grid tot de vloer, een plateau van enkele vierkante meters. Een toneeltje zogezegd, waarop de jongens ons letterlijk tegelijkertijd het verhaal beginnen te vertellen van een protagonist (een personage die we voorgesteld krijgen als Herschel Grynszpan, de 17-jarige Poolse Jood die in 1938 met een pistool de Duitse Ambassade in Parijs binnenliep). En het andere personage, de iets oudere Duitse klerk, werkzaam op die ambassade, die vanuit een ander perspectief net zo goed de protagonist had kunnen zijn. Hij kreeg tenslotte de kogel.

‘Stel je voor dat leven, echt leven, het leven dat we van de geschiedenisboeken leren, de levens die de geschiedenisboeken, de tand des tijds doorstaan, de levens die blijven, dat dat leven inhoudt dat je doet wat je denkt, wat je wilt, wat je voelt, wat je denkt dat moet,’ beginnen Vuye en Martens de voorstelling aanstekelijk en in koor. Het werkt komisch als hun teksten plotseling meerstemmig klinken. Het blijkt een voorbode te zijn van de tweestemmigheid van een gebeurtenis die zal worden geschetst.

We maken een mooi, jong gedachtenexperiment mee over schuld en slachtofferschap, over de betekenis van ‘tijd’ en ‘plaats’, over hoe de ontmoeting tussen twee mensen onontkoombaar verandert in de tijd tussen het afvuren van de kogel (door de ene protagonist), en het treffen (in de andere protagonist). Een voorstelling die van vorm verandert als de samenhang duidelijk gemaakt is aan het publiek, en de confrontatie tussen beide mannen kan beginnen. Maar eerst moet dan de voorzijde van het toneeltje opgehesen met de kabels –

Het maakt een ontzettend lawaai en het duurt verrassend lang.

– zodat een sneeuwlandschap zich aan ons openbaart.
Na de voorstelling bekruipt me het verlangen om zelf de tijd eens stil te kunnen zetten. Seconden uit te kunnen rekken in uren. En plots moet ik denken aan de onrust die hier twee avonden geleden nog voor de deur van ditzelfde theater plaatsvond: ME-agenten in confrontatie met rellende mensen in de stad. Het  gedachtenexperiment spreekt tot de verbeelding. Wat zou er gebeuren als we van die seconden uren zouden maken? Prelude in de sneeuw laat zien hoe precies dit gedachtenexperiment ruimte geeft aan nuance.

Wat me opvalt is dat veel deelnemers van het FIELD-programma, dat Jonge Harten dit jaar voor het eerst organiseert, in de zaal zitten. Een programma waarin Jonge Harten jonge makers met elkaar en het festival wil verbinden. Ik merk dat ik een aantal van hen herken, omdat ik zelf ook deel ben geweest van dit programma maar ook vanuit mijn positie als stagiair Educatie. Ik denk: hoe ga ik over deze avond schrijven als ik zo middenin het festival sta? Hoe zorg ik dat mijn subjectiviteit me niet in de weg staat? En hoe zorg ik dat de vertaling van mijn subjectieve ervaring recht doet aan wat ik gezien heb? En plots is daar hetzelfde ongemak van een zwaarwegend verantwoordelijkheidsgevoel dat ik een aantal jaar eerder bij mijn stage op de redactie van Theaterkrant ervaarde.

Je kan het horen, vind je niet? Als er ‘bekenden van’ in de zaal zitten. Soms hoor ik het bij premières. Of bij de laatste voorstelling. Hier, in het Grand Theatre, dacht ik dat het kwam omdat iedereen uit het noorden kwam. Maar na het dankwoord van Jonge Harten-directeur Karlijn Benthem begreep ik dat deze jonge makers en afstudeerders elkaar op dit festival hadden ontmoet, na een heel lange periode van niet-spelen.
Zij delen vanaf nu een plek, een perspectief, waar zij hun eigen makerschap voorzichtig konden presenteren, en zich tegelijk als makers konden verhouden tot elkaar. Wie ben jij en waar kom jij vandaan? En dat vertelde mij gelijk iets over Jonge Harten: Hoe tof is het om in je programmering jonge voorstellingen uit heel Nederland en België te hebben staan? En dan ook nog de ontmoeting met elkaar te faciliteren.

De bovenzaal gaat open. We gaan naar Amerika.

Bij de bushalte

Na de voorstelling Amerika gaan we vrij snel uiteen. Er is geen foyer meer open en er moet nog worden gereisd. Naar Amsterdam, naar Zwolle. We praten na bij de bushalte, mijn bus komt zo.

(Oh nee, hoe heette de parkeergarage?)

Ik had het gevoel dat ik bij Amerika keek naar iets wat nog in ontwikkeling was, iets dat nog niet af was. Misschien ook wel logisch, het is een coproductie van Toneelschool Maastricht en Theaterschool Rotterdam. Als iemand die zelf ook theater maakt met jonge mensen was het interessant om te zien, maar ik vraag me af hoe ander publiek naar de voorstelling keek.

Denk je dat wij anders naar een voorstelling kijken?

Misschien wel…

Bij Amerika zag ik inderdaad zo het ‘maken’: ik zag de spelers worstelen met hun rol, en op de speelvloer zoeken naar de lagen in hun personages. Ik ‘zag’ het concept van de voorstelling: steeds weer een gezamenlijk moment, en daarna dan een monoloog die blootlegt wat de motivatie is van dát personage die de boot neemt naar The American Dream.
Wat misschien ook bijdraagt aan een kritische blik van een ‘vakgenoot’ is het feit dat ons vooraf verteld werd dat één van de rollen – wegens ziekte, tja, dat gebeurt dus echt vaker in deze tijd – dezelfde middag pas overgenomen was door een medestudent. Opeens ligt het maakproces open op de speelvloer.

(Over twee minuten komt mijn bus.)

Ik zoek hardop naar een overeenkomstig thema, of onderwerp. Of desnoods een associatie die deze drie voorstellingen met elkaar verbindt. Ik vind het tegelijk vreemd om te merken dat ik dat automatisch wil doen: verbinding zoeken. Is dat misschien een ‘meerwaarde’ van een festival, waarbij je meer dan één voorstelling op een avond ziet?

Het was allemaal werk van jonge makers? Verhalen over jonge mensen? En over de toekomst? Jonge mensen die per ongeluk de verkeerde persoon neerschieten of naar Amerika vertrekken. Waarin kunnen we ze verbinden?

Toekomst en verleden, altijd speelt dat. En het kijken in het ‘nu’ maakt dat we ons als publiek ook daartoe moeten verhouden. Wat zou ik doen? Als ik de kans kreeg op een dream? Of de kans kreeg op een daad? Wel interessant om daarover te na te denken, dat lijkt me van alle tijden, maar het gebeurt me niet die avond.

Ik ervaar zo de techniek – als aanwezig onderdeel – ja, ik geloof dat ik alle drie de voorstellingen met een zekere mate van afstand heb ervaren, door te veel geconfronteerd te worden met de aanwezigheid van techniek. Een lege batterij. Het ophijsen van een decor. Het nét buiten het licht staan.
En tegelijk is juist dat fragiele, die kwetsbaarheid van het werk van jonge makers ook weer mooi. Omdat je ook ziet dat zij juist dít verhaal willen vertellen. Nu. Hier. Want anders hadden ze het niet gedaan –

De bus.

Jouw bus.
“Het was een toffe avond,” zeg ik. “Goede ontmoetingen. Goede verbinding!”

“Eens!”
En fijn dat we hierover nog van gedachten mogen wisselen.

Online

We werken samen aan een stuk als meesterproef van de cursus en treffen elkaar weer online. Toch anders nu je elkaar een keer in het echt hebt ontmoet, en een ervaring hebt gedeeld, gelijk een stuk persoonlijker.

Ik concludeer voorzichtig: Ik geloof dat er weer een tijd aanbreekt, waarin we (her-)ontdekken dat de ontmoeting het gesprek voedt. Zowel als toeschouwers naast elkaar op een tribune, als de ontmoeting ná de voorstelling, tussen makers en toeschouwers. Meer samen zien dus? En blijven praten? Niet alleen bevestigd worden, juist meerdere perspectieven ontdekken.

Een ervaring is subjectief. Zo sta je in je eentje in een lege ruimte met een VR-bril op, zó ben je in je eentje weer in de bus naar huis. Of zit je tegenover een beeldscherm. Maar juist door ervaringen te delen ontstaat er dialoog, een gesprek, een ontmoeting.

Ik vond het waardevol.

Die echte ontmoetingen…

Meer daarvan, graag!

 

 

Jonge Harten

FUTURE IS COMING

Shape it, be it, own it!