Waarom het meten van kunst haar onschadelijk maakt
Sjoerd Derine –Machinergy, Alienated Performance Art
Door: Gregory Caers
De recente discussies over governance in de cultuursector en de rechtszaken rond het Fonds Podiumkunsten maken volgens theatermaker Gregory Caers iets pijnlijk zichtbaar.
‘Het probleem van kunst ligt vandaag niet enkel bij haar tegenstanders, maar ook in haar eigen ordening. In de manier waarop ze wordt beoordeeld, verantwoord en gelegitimeerd.’
Wat daar zichtbaar wordt, is een steeds dominantere logica van meten en sturen. Kunst moet aantonen wat ze bijdraagt aan burgerschap, inclusie, weerbaarheid en democratie. Ze moet transparant zijn, voorspelbaar, toetsbaar. Niet omdat men haar wil afschaffen, maar omdat men haar wil rechtvaardigen.
Maar precies dat rechtvaardigen verandert haar van karakter. Kunst wordt niet langer gezien als een ruimte waarin iets onvoorspelbaars kan gebeuren, maar als een middel dat vooraf vastgelegde doelen moet realiseren.En hoe harder we proberen te bewijzen wat kunst doet, hoe groter het risico dat we haar werking verliezen.
Vandaag worden er vooral twee verwachtingen op kunst geprojecteerd. Ten eerste dat ze burgers moet vormen: kritischer, empathischer, mondiger. En ten tweede dat ze haar impact moet meten: zichtbaar, meetbaar, controleerbaar. Die verwachtingen lijken verschillend, maar ze vertrekken vanuit dezelfde denkfout. En ze versterken kunst niet, ze temmen haar.
De denkfout is eenvoudig: we behandelen kunst alsof ze een instrument is dat een vooraf bepaald effect moet hebben op mensen. Alsof we weten wat burgers moeten worden, hoe kunst dat moet realiseren, en hoe we dat proces kunnen sturen en controleren. In dat denken wordt kunst geen open praktijk meer, maar een middel binnen beleid, onderwijs of sociale strategie.
Dat is wat kunst temt. Ze mag bestaan, maar alleen binnen vooraf bepaalde kaders. Ze mag werken, maar alleen op manieren die herkenbaar en meetbaar zijn. Ze mag kritisch zijn, zolang ze geen echte onzekerheid introduceert. Op het eerste gezicht klinkt dat redelijk, zelfs verantwoordelijk. Maar samen veranderen deze voorwaarden kunst fundamenteel van aard.
Wanneer kunst alleen mag bestaan binnen vooraf vastgelegde kaders, verdwijnt haar kernfunctie. Vooraf bepaalde kaders betekenen vooraf vastgelegde doelen, waarden en verwachtingen over betekenis en effect. Maar kunst werkt precies andersom. Ze onderzoekt wat nog niet vastligt. Ze stelt vragen waarop nog geen antwoord bestaat. Ze opent mogelijkheden die vooraf niet te bedenken waren.
Als kunst alleen mag bestaan binnen wat al gedacht is, wordt ze geen ruimte van ontdekking meer, maar een uitvoering van bestaande ideeën. Filosofisch gezegd: handelen wordt vervangen door uitvoeren, verschijnen door functioneren. Kunst wordt niet verboden, maar gekanaliseerd. En wat gekanaliseerd wordt, kan niet meer verrassen.
Nog problematischer wordt het wanneer kunst alleen mag werken op manieren die herkenbaar en meetbaar zijn. Herkenbaarheid en meetbaarheid vragen herhaalbaarheid, voorspelbaarheid en duidelijke oorzaak-gevolgrelaties. Maar zo werkt kunst zelden. Wat kunst in beweging zet, gebeurt vaak indirect, verspreid in de tijd en verschillend voor elke persoon. Soms beseft iemand pas jaren later waarom een ervaring betekenisvol was. Soms werkt kunst precies doordat ze niet meteen begrepen wordt.
Wanneer alleen telt wat meetbaar is, verschuift kunst onvermijdelijk naar het bevestigen van bekende vormen. Experiment wordt risicovol. Het onbekende verdwijnt. Dit is geen neutrale selectie, maar een sturing: we belonen kunst die past in meetinstrumenten en ontmoedigen kunst die eraan ontsnapt. Wat niet meetbaar is, wordt onzichtbaar. En wat onzichtbaar wordt, verdwijnt uiteindelijk.
Het gevaarlijkst is misschien wel de derde voorwaarde: kunst mag kritisch zijn, zolang ze geen echte onzekerheid introduceert. Kritiek wordt dan herleid tot herkenbare meningen, veilige oppositie, kritiek die past binnen het bestaande debat. Maar echte kritiek stelt niet alleen antwoorden in vraag, ze ondergraaft ook de vragen zelf en soms zelfs het kader waarin die vragen worden gesteld.
Echte kunst introduceert twijfel, ambiguïteit en ongemak. Ze haalt zekerheden onderuit. Dat is precies wat veel systemen niet verdragen. Kritiek die niemand uit zijn evenwicht brengt, is geen kritiek maar decoratie. Wanneer kunst alleen kritisch mag zijn zolang ze geruststelt, oplosbaar blijft en geen risico vormt, wordt ze een veilig ventiel in plaats van een tegenkracht.
Samen genomen is dit wat temmen betekent. Kunst mag bestaan zolang ze binnen het hek blijft, mag werken zolang we begrijpen hoe, en mag kritisch zijn zolang het geen echte gevolgen heeft. Dat lijkt vrijheid, maar het is gecontroleerde vrijheid. En gecontroleerde vrijheid is geen vrijheid.
Dit alles versterkt kunst niet. Integendeel. Haar kracht ligt niet in effectiviteit, maar in openheid. Niet in bevestiging, maar in onderbreking. Door kunst te temmen maken we haar voorspelbaar, veilig en nuttig. Maar een kunst die volledig nuttig is, heeft haar kritische belofte al opgegeven.
Vormen en meten lijken misschien verschillende strategieën, maar ze doen hetzelfde: ze maken kunst beheersbaar. Ze reduceren haar tot een middel dat moet opleveren wat vooraf is vastgelegd.
Daarmee raken we aan de kern. Kunst draagt niet bij aan mondigheid door burgers te vormen. Ze doet dat door ruimte te openen waarin mensen zichzelf kunnen vormen. Die zelfvorming laat zich niet produceren, niet plannen en niet meten. Ze voltrekt zich in tijd, in twijfel, in ontmoeting en in ervaring.
Dat betekent niet dat kunst zich aan elke vorm van verantwoording moet onttrekken. Maar het betekent wel dat we moeten opletten voor de taal waarin we haar laten spreken. Verantwoording hoeft niet altijd meetbaar te zijn. Ze kan ook bestaan uit verhalen, reflecties en betekenisgeving.
Het probleem is niet dat kunst haar waarde moet uitleggen. Het probleem is de taal waarin we haar dat laten doen. In een neoliberale samenleving lijkt meten verantwoord. Maar kunst werkt precies daar waar meten faalt. Niet door effecten te produceren. Niet door burgers te vormen. Maar door ruimte open te houden voor denken, twijfel, verbeelding en oordeel.
Als we kunst werkelijk ernstig nemen, moeten we haar beschermen tegen zowel de drang om te vormen als de drang om te meten. Niet om haar boven de samenleving te plaatsen, maar om haar rol daarin te bewaren. Want een samenleving die geen ruimte meer kan openhouden, heeft uiteindelijk niets meer om te meten – behalve haar eigen verlies.
De recente discussies over governance in de cultuursector en de rechtszaken rond het Fonds Podiumkunsten maken volgens theatermaker Gregory Caers iets pijnlijk zichtbaar.
‘Het probleem van kunst ligt vandaag niet enkel bij haar tegenstanders, maar ook in haar eigen ordening. In de manier waarop ze wordt beoordeeld, verantwoord en gelegitimeerd.’
Wat daar zichtbaar wordt, is een steeds dominantere logica van meten en sturen. Kunst moet aantonen wat ze bijdraagt aan burgerschap, inclusie, weerbaarheid en democratie. Ze moet transparant zijn, voorspelbaar, toetsbaar. Niet omdat men haar wil afschaffen, maar omdat men haar wil rechtvaardigen.
Maar precies dat rechtvaardigen verandert haar van karakter. Kunst wordt niet langer gezien als een ruimte waarin iets onvoorspelbaars kan gebeuren, maar als een middel dat vooraf vastgelegde doelen moet realiseren.En hoe harder we proberen te bewijzen wat kunst doet, hoe groter het risico dat we haar werking verliezen.
Vandaag worden er vooral twee verwachtingen op kunst geprojecteerd. Ten eerste dat ze burgers moet vormen: kritischer, empathischer, mondiger. En ten tweede dat ze haar impact moet meten: zichtbaar, meetbaar, controleerbaar. Die verwachtingen lijken verschillend, maar ze vertrekken vanuit dezelfde denkfout. En ze versterken kunst niet, ze temmen haar.
De denkfout is eenvoudig: we behandelen kunst alsof ze een instrument is dat een vooraf bepaald effect moet hebben op mensen. Alsof we weten wat burgers moeten worden, hoe kunst dat moet realiseren, en hoe we dat proces kunnen sturen en controleren. In dat denken wordt kunst geen open praktijk meer, maar een middel binnen beleid, onderwijs of sociale strategie.
Dat is wat kunst temt. Ze mag bestaan, maar alleen binnen vooraf bepaalde kaders. Ze mag werken, maar alleen op manieren die herkenbaar en meetbaar zijn. Ze mag kritisch zijn, zolang ze geen echte onzekerheid introduceert. Op het eerste gezicht klinkt dat redelijk, zelfs verantwoordelijk. Maar samen veranderen deze voorwaarden kunst fundamenteel van aard.
Wanneer kunst alleen mag bestaan binnen vooraf vastgelegde kaders, verdwijnt haar kernfunctie. Vooraf bepaalde kaders betekenen vooraf vastgelegde doelen, waarden en verwachtingen over betekenis en effect. Maar kunst werkt precies andersom. Ze onderzoekt wat nog niet vastligt. Ze stelt vragen waarop nog geen antwoord bestaat. Ze opent mogelijkheden die vooraf niet te bedenken waren.
Als kunst alleen mag bestaan binnen wat al gedacht is, wordt ze geen ruimte van ontdekking meer, maar een uitvoering van bestaande ideeën. Filosofisch gezegd: handelen wordt vervangen door uitvoeren, verschijnen door functioneren. Kunst wordt niet verboden, maar gekanaliseerd. En wat gekanaliseerd wordt, kan niet meer verrassen.
Nog problematischer wordt het wanneer kunst alleen mag werken op manieren die herkenbaar en meetbaar zijn. Herkenbaarheid en meetbaarheid vragen herhaalbaarheid, voorspelbaarheid en duidelijke oorzaak-gevolgrelaties. Maar zo werkt kunst zelden. Wat kunst in beweging zet, gebeurt vaak indirect, verspreid in de tijd en verschillend voor elke persoon. Soms beseft iemand pas jaren later waarom een ervaring betekenisvol was. Soms werkt kunst precies doordat ze niet meteen begrepen wordt.
Wanneer alleen telt wat meetbaar is, verschuift kunst onvermijdelijk naar het bevestigen van bekende vormen. Experiment wordt risicovol. Het onbekende verdwijnt. Dit is geen neutrale selectie, maar een sturing: we belonen kunst die past in meetinstrumenten en ontmoedigen kunst die eraan ontsnapt. Wat niet meetbaar is, wordt onzichtbaar. En wat onzichtbaar wordt, verdwijnt uiteindelijk.
Het gevaarlijkst is misschien wel de derde voorwaarde: kunst mag kritisch zijn, zolang ze geen echte onzekerheid introduceert. Kritiek wordt dan herleid tot herkenbare meningen, veilige oppositie, kritiek die past binnen het bestaande debat. Maar echte kritiek stelt niet alleen antwoorden in vraag, ze ondergraaft ook de vragen zelf en soms zelfs het kader waarin die vragen worden gesteld.
Echte kunst introduceert twijfel, ambiguïteit en ongemak. Ze haalt zekerheden onderuit. Dat is precies wat veel systemen niet verdragen. Kritiek die niemand uit zijn evenwicht brengt, is geen kritiek maar decoratie. Wanneer kunst alleen kritisch mag zijn zolang ze geruststelt, oplosbaar blijft en geen risico vormt, wordt ze een veilig ventiel in plaats van een tegenkracht.
Samen genomen is dit wat temmen betekent. Kunst mag bestaan zolang ze binnen het hek blijft, mag werken zolang we begrijpen hoe, en mag kritisch zijn zolang het geen echte gevolgen heeft. Dat lijkt vrijheid, maar het is gecontroleerde vrijheid. En gecontroleerde vrijheid is geen vrijheid.
Dit alles versterkt kunst niet. Integendeel. Haar kracht ligt niet in effectiviteit, maar in openheid. Niet in bevestiging, maar in onderbreking. Door kunst te temmen maken we haar voorspelbaar, veilig en nuttig. Maar een kunst die volledig nuttig is, heeft haar kritische belofte al opgegeven.
Vormen en meten lijken misschien verschillende strategieën, maar ze doen hetzelfde: ze maken kunst beheersbaar. Ze reduceren haar tot een middel dat moet opleveren wat vooraf is vastgelegd.
Daarmee raken we aan de kern. Kunst draagt niet bij aan mondigheid door burgers te vormen. Ze doet dat door ruimte te openen waarin mensen zichzelf kunnen vormen. Die zelfvorming laat zich niet produceren, niet plannen en niet meten. Ze voltrekt zich in tijd, in twijfel, in ontmoeting en in ervaring.
Dat betekent niet dat kunst zich aan elke vorm van verantwoording moet onttrekken. Maar het betekent wel dat we moeten opletten voor de taal waarin we haar laten spreken. Verantwoording hoeft niet altijd meetbaar te zijn. Ze kan ook bestaan uit verhalen, reflecties en betekenisgeving.
Het probleem is niet dat kunst haar waarde moet uitleggen. Het probleem is de taal waarin we haar dat laten doen. In een neoliberale samenleving lijkt meten verantwoord. Maar kunst werkt precies daar waar meten faalt. Niet door effecten te produceren. Niet door burgers te vormen. Maar door ruimte open te houden voor denken, twijfel, verbeelding en oordeel.
Als we kunst werkelijk ernstig nemen, moeten we haar beschermen tegen zowel de drang om te vormen als de drang om te meten. Niet om haar boven de samenleving te plaatsen, maar om haar rol daarin te bewaren. Want een samenleving die geen ruimte meer kan openhouden, heeft uiteindelijk niets meer om te meten – behalve haar eigen verlies.